Glossolepis kabia

Glossolepis kabia heeft een groen tot zilverblauwe lichaamskleur met een rozige gloed langs de zijden. De soort kan een maximale grootte van 12 cm bereiken.

Beschrijving

Glossolepis kabia

(Herre, 1935)

Glossolepis kabia heeft een groen tot zilverblauwe lichaamskleur met een rozige gloed langs de zijden. De vis heeft een serie smalle, oranje strepen tussen elke rij schubben en de vinnen zijn gewoonlijk helder of enigszins groenachtig, soms ook bijna zwart. De soort kan een maximale grootte van 12 cm bereiken, maar worden meestal niet groter dan 10 cm. De meeste gevangen vissen hadden een grootte van 6 tot 10 cm. Volwassen vissen – vooral de mannen – hebben een bijzonder hoog lichaam (6 tot 8 cm), hoewel dit verschil tussen de geslachten niet erg zichtbaar is in jonge vissen tot 6 cm. De oranje strepen op de zijden van de vis zijn duidelijker bij volwassen mannen. De rug- en anaalvinnen van de mannen hebben vaak een zilver tot gele weerschijn. De vis wordt kabia genoemd naar ‘kabi’, de inheemse naam van de vis bij Koragu.

De oorspronkelijke beschrijving heeft het over een donkere, zilverachtige kleur, terwijl op de onderste helft van het lichaam afwisselende verticale strepen te zien zijn die goudoranje of dieporanje en zilver of staalblauw zijn, met een oranje band bij de staartbasis. De punt van de bek en de ruimte tussen de oogkassen zijn zwart. De kieuwdeksels en de preoperculum (het been tussen de wang en de kieuwdekking) zijn zilver met geel of goud. De vinnen zijn bij sommige vissen donker, bij andere zijn de rug- en anaalvinnen geheel of alleen aan de basis oranje, de vinstralen en buitenste delen enigszins zwart.

Verspreiding en Leefomgeving

Glossolepis kabia wordt op dit moment gevonden in de riviersystemen van de Sepik en Ramu in Nieuw-Guinea. De vissen leven in de overstromingsgebieden en moerassige lagunes, meren en kleine zijrivieren. Het is de enige regenboogvis die in grote getale voorkomt in de overstromingsgebieden van de Sepik River. Ze worden meestal aangetroffen in gebieden waar veel waterplanten zijn, in enigszins troebel tot helder water en in stilstaand tot langzaamstromend water. Jonge vissen vormen groepen rondom verzonken boomstammen en takken of rondom riet of andere oevergewassen.

De Sepik River (vroeger Keizerin Augusta rivier geheten) is de op één na grootste rivier in Papoea-Nieuw-Guinea. De rivier is ongeveer 1.100 km lang en heeft een oppervlakte van zo’n 80.000 km2. Het is het grootste riviersysteem in Papoea-Nieuw-Guinea als je het vangstgebied bekijkt, maar het loost minder water dan de Fly River. Biologisch gezien kan men hier de meest diverse en minst beschreven ecosystemen op aarde vinden, en het is waarschijnlijk het grootste niet-vervuilde zoetwatergebied in de Azië-Pacific regio. Er zijn geen grote mijnprojecten, geen industriële nederzettingen en geen projecten ten behoeve van de tinwinning. Vergeleken met andere gebieden in Nieuw-Guinea heeft dit gebied ook de minste bevolkingsgroei.

De Ramu River – vroeger Ottilien River geheten – is een van de langste rivieren in Papoea-Nieuw-Guinea. De rivier begint in het zuiden op de Kratke Range en stroomt naar het noordwesten door de grote centrale vlakte, waar het vele stromen in zich opneemt en op die manier zorgt voor de afwatering van de Bismarck, Finisterre en Adelbert Ranges. De laatste 100 km van de in totaal 720 km stroomt rechtstreeks naar het noorden. Dit moerassig gebied krijgt water van de belangrijkste zijrivier, de Sogeram River. De Ramu River komt uit in de Bismarck Zee ongeveer 32 km ten zuidoosten van de monding van de Sepik River. Ramu River en Sepik River zijn in dit gebied met elkaar verbonden door vele beken en stromen. Het zoetwaterleefgebied voor vissen van beide rivieren zijn veelal gelijkend, hoewel er een aantal soorten endemisch zijn in beide regio’s.

Opmerkingen

Glossolepis kabia werd oorspronkelijk gevangen tijdens de Crane Pacific expeditie in mei 1929. De expeditie werd gesponsord door Cornelius Crane ten behoeve van het Field Museum in Chicago (USA). De expeditie startte op 16 november 1928 in Boston op het jacht Illyria en bezocht van januari tot mei 1929 diverse landen en eilanden in de Pacific-regio, waaronder de Marquesas, Tahiti, Fiji, Vanuatu (destijd de Nieuwe Hybriden), Nieuw-Brittannië en Nieuw-Guinea. Het langste verblijf vond plaats op Papoea-Nieuw-Guinea toen de onderzoekers de Sepik River opvaarden en bij diverse dorpen en nederzettingen aanmeerden. Vandaaruit werd de May River opgevaren en meerdere dorpen aangedaan. Op de terugweg maakten ze een klein uitstapje door de Keram River, waarna nogmaals een aantal dorpen aan de Sepik River werden bezocht. Er werden maar weinig vissen gevangen, maar de vissen die werden gevangen waren bijna allemaal nieuwe soorten. Daarbij waren enkele regenboogvissen, die later door Albert W. Herre beschreven werden als Melanotaenia kabiaMelanotaenia rosacea en Rhombosoma sepikensis. De type-exemplaren van Glossolepis kabia werden gevangen uit de Sepik River bij Nyaurangai, ongeveer 300 km van de zee. Extra exemplaren werden nog verzameld bij Koragu in de Kerame River.

Gerald Allen ving in 1979 een aantal levende regenboogvissen toen hij in het gebied van de Sepik River en Ramu River vissen verzamelde. Hij bracht ze naar Australië waar ze werden gekweekt en verspreid in de aquariumhobby. Hij identificeerde ze later als Glossolepis multisquamatus. Heiko Bleher verzamelde eveneens levende exemplaren uit hetzelfde gebied en uit een gebied bij de Ramu River en bracht de vissen naar Europa. Er wordt vermoed dat van deze vissen geen exemplaren meer in de hobby voorhanden zijn.

In 1992 verzamelde Heiko Bleher een aantal Glossolepis-soorten uit de regio van de Mamberamo River in West-Papoea. Het was onduidelijk of deze vissen een onbeschreven soort vertegenwoordigden of dat het een kleurvariant van Glossolepis multisquamatus betrof. Heiko Bleher verzamelde deze soort een paar keer en rapporteerde dat ze volgens hem behoorlijk verschilden van de vissen uit de Sepik en Ramu River. Later bleek echter dat de vissen uit de Mamberamo River de echte Glossolepis multisquamatus waren. De Mamberamo-soort verschillen behoorlijk, waarbij het meest in het oog springt dat ze veel grotere anaalvinnen hebben, zoals ook gezien kan worden bij Glossolepis wanamensis. Ze hebben ook helderrode ogen, dat enigszins uniek is bij regenboogvissen (commentaar van Peter Unmack).

De vissen uit de Mamberamo River zijn Glossolepis multisquamatus terwijl de vissen uit de regio van de Sepik en Ramu River nu worden gezien als Glossolepis kabia.

Auteur

Adrian R. Tappin – Home of the Rainbowfish

Vertaling

Hans Booij

Copyright foto’s

Jim Tait

Literatuur

Allen, G.R. & Coates, D. (1990) An ichthyological survey of the Sepik River, Papua New Guinea. Records of the Western Australia Museum Supplement 34: 31-116.

Bleher, H. (2007) Personal Communications.

Graf, J. & Ohee, H.L. (2009) Glossolepis from Northern New Guinea. Fishes of Sahul 23(2): 502-512.

Herre, A.W. (1935) New fishes obtained by the Crane Pacific Expedition., Field Museum of Natural History., Zoological Series, 18(12): 383-438.

Herre, A.W. (1936) Fishes of the Crane Pacific Expedition, Field Museum of Natural History, Zoological Series, 21: 1-472.

Weber M. & de Beaufort L. F. (1922) The Fishes of the Indo-Australian Archipelago. IV. Heteromi, Solenichthyes, Synentognathi, Percesoces, Labyrinthici, Microcyprini. E. J. Brill, Leiden, 4: 1-410.

Extra informatie

Familie

Geslacht

Beoordelingen

Er zijn nog geen beoordelingen.

Wees de eerste om “Glossolepis kabia” te beoordelen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *