Kwastsnoeken

Polypterus

“if I had discovered only this species in Egypt, it would compensate me for the pains usually involved in a long journey”. Aldus wetenschapper Geoffry Saint Hilaire die in 1798 deelnam aan een door Napoleon georganiseerde wetenschappelijke expeditie naar het mysterieuze en gesloten Egypte.

Zittend langs de Nijl ontdekte hij een meter lange oervis, die bij de Egyptenaren al bekend was vanuit de tijd van de Farao’s. De lokale bevolking noemde de vis iets als Bee-sheer, wat de Fransen mogelijk op eigen wijze fonetisch hebben gespeld als Bichir. In 1902 kreeg de soort de wetenschappelijke naam P. Bichir toegekend. De vondst was van grote wetenschappelijke betekenis.

De huidige oervissen Polypteridae zijn de enige overlevenden van de groep Polypteriformes. De oorsprong daarvan gaat terug naar de late Cretaceous periode, van 100-60 miljoen jaar geleden, bekend als de laatste fase waarin dinosauriërs floreerden. Polypteriformes kwam voor in het gebied dat nu Afrika en Zuidamerika omvat.

De huidige Polypteridae (Kwastvinsnoeken, of Bichir’s) behoren tot de meest primitieve straalvinnigen die nog bestaan. Ze komen allemaal voor in in zoetwatergebieden in Afrika, de meesten tot zo’n 10 graden noordelijk en 10 graden zuidelijk van de evenaar. Een vondst van een fossiel van de hedendaagse Polypteridae in Chaad wijst uit dat de soort zoals we die nu kennen al voorkwam in het late Mioceen (5,3 miljoen jaar geleden). Het fossiel (toepasselijk Polypterus faraou genoemd) toont grote gelijkenis met P. bichir en P. endlicheri, twee soorten die daar nog steeds voorkomen.

Evolutie lijkt zich bij deze oervissen dus niet erg snel te voltrekken. Toch zijn door de grote geografische spreiding en verschillende leefgebieden diverse soorten en verianten ontstaan: De familie zelf bestaat uit twee geslachten.

  1. Erpetochthys (met maar één soort: E. Calabaricus).
  2. Polypterus bestaat uit 13 soorten en daarbinnen een aantal varianten.

Afgelopen decennia is onder ichtyologen veel verwarring ontstaan over de soortindeling en hoe de later ontdekte varianten daarin moesten passen. Recentelijk zijn door gewijzigd inzicht flinke aanpassingen in de soortindeling aangebracht. Er wordt nu onderscheid gemaakt in drie hoofdgroepen Polypterus:

  • De Senegalus groep inclusief Erpetoichthys. Deze bovenkaaksoorten hebben een langere bovenkaak dan de onderkaak of minimaal van gelijke lengte. Hierbij opent de bek zich naar onderen, waardoor de dieren beter zijn uitgerust om te eten van (dood) voedsel dat op de de bodem ligt. De bovenkaakgroep bestaat uit E. calabaricus, P. senegalus, P. palmas, P. delhezi, en P. polli.
  • De Weeksii groep. Ook een bovenkaaksoort met een langere of minimale gelijke bovenkaak dan de onderkaak. Tot deze groep behoren P. weeksii, P. ornatipinnis, P. retropinnis, P. teugelsi en P. mokelembembe
  • De Bichir en Endlicheri groep met een langere onderkaak dan de bovenkaak, waardoor de bek naar boven toe opent. Hiermee zijn ze meer gespecialiseerd in het jagen op levende dieren, zoals amfibieën, waterinsecten en vis. Tot deze groep behoren P. bichir, P. ansorgii en P. endlicheri. Onderkaaksoorten worden meestal een stuk groter dan de bovenkaaksoorten.

De vissen

Kwastvinsnoeken hebben een cilindrisch langgerekt lijf, dat op dat van een reptiel lijkt. Het is voorzien van een schubbenpantser en 7 tot 16 losse driehoekige rugvinnen (Polyperus betekent veelvinnig), wat de vis een draakachtig uiterlijk geeft. De borstvinnen zitten precies waar je bij een hagedis de poten verwacht. De zwemblaas is geëvolueerd in een primitieve long, waarmee de vis ook lucht van de oppervlakte kan gebruiken. Gecombineerd met de kieuwen kunnen ze overleven in de zuurstofarme omstandigheden van warme moerasgebieden en zelfs even buiten het water. Ook als het zuurstofgehalte in het water toereikend is, zal het dier regelmatig naar de oppervlakte zwemmen voor een hap lucht. Jonge exemplaren hebben duidelijk zichtbare externe kieuwen, zoals salamanders. Bij de meeste exemplaren verdwijnen deze op latere leeftijd. De huid is bedekt met een stevig schubbenpantser. De schubben zijn driehoekig, met een haakje aan het uiteinde, en bedekt met een hard en taai materiaal dat ook voorkomt dat er buiten het water waterverlies optreedt.

Polypterus heeft een slecht zichtvermogen en een sterk ontwikkelt reukvermogen. Hiermee volgt het geursporen om voedsel te vinden. Hiervoor zijn ze uitgerust met buisvormige neusopeningen. Polypterus kan enkele uren, en in vochtige omstandigheden tot wel 2 dagen, buiten het water overleven. Met de borstvinnen stuwt de vis zichzelf dan voort over land.

Prooidieren worden langzaam beslopen en van dichtbij opgeslokt. Kwastvinsnoeken hebben twee plaatachtige beenstructuren in de onderkaak die helpen om voedsel te kauwen.In de natuur is waargenomen dat bij het eten van aas de vis om zijn as draait om stukken vlees af te scheuren (net zoals krokodillen dat doen).

Alle 10 resultaten