Kweekverslagen

Houden en kweken van Ancistrus L144

Houden en kweken van Ancistrus L144

Dit is een van de “knappere” Ancistrussen, als je tenminste van “knap” kunt spreken bij een vis. Hun gouden kleur lijkt ze een voordeel te geven waar het de aquarium hobby aangaat. Bekend onder een variëteit van gewone namen is de L144 niet makkelijk verkrijgbaar. Er wordt algemeen aangenomen dat de L144 een zelfstandige vorm van de Ancistrus is, hoewel hij nog niet als zodanig is beschreven. Deze soort was in de handel lang beschikbaar als de Ancistrus temmenckii, en onder deze naam wordt hij nog vaak genoemd op websites en door hobbyisten.

Onze oorspronkelijke kolonie L144 Ancistrus

Wij kregen onze oorspronkelijke kolonie 7 jaar geleden; De kolonie bestond uit twee mannen en vijf vrouwen. De vissen werden in een 360 liter Juwel aquarium geplaatst samen met een aantal andere L-nummer algeneters die nog moesten opgroeien en werden met rust gelaten om hun nieuwe aquarium en medebewoners te leren kennen. Ancistrussen vinden doorgaans makkelijk hun plekje (met slecht een of twee aangetekende uitzonderingen) en deze waren geen uitzondering op de regel. Ze vonden al snel een territorium en leerden vul wie te vermijden als ze er op uit gingen om voer te halen. Wij zouden zeggen dat in dit specifieke aquarium ze wat terughoudender en voorzichtiger waren dan onze andere Ancistrussen. Dit gezegd hebbende, ze aten en groeiden wel goed. Een jaar later, na een grote waterverversing na een lange zomervakantie waarin er geen water ververst werd in dit aquarium, kweekte het dominante mannetje. Sindsdien bleef de kolonie kweken alsof het werd afgesproken: het dominante mannetje begon eind september, gevolgd door de tweede man zo rond midden oktober en ze kweekten beiden nog zo’n vier of vijf keer tot het einde van maart, wanneer het kweken tijdelijk zou worden gestaakt.

In de jaren erna zijn er een aantal veranderingen aangebracht in onze aquaria. De kolonie werd wel bij elkaar gehouden maar ze verhuisden een paar keer. Dit had geen enkel effect op de kweek activiteiten. Uiteraard werd er veel aandacht aan besteed om ze niet te verhuizen vlak voor of na een parings periode. Over het geheel hadden de aquaria waar ze werden ondergebracht een hoop dingen gemeen, namelijk:

  • de stroming was laag – medium ( 1 – 3 keer per uur)
  • Het water was zacht en neutraal (KH >1, gH: 2-3, pH: 7)
  • De temperatuur was 26°C – 28°C
  • Het licht was gedimd (we gebruiken overwegend een combinatie van maan licht lampen zodat we de vissen in het aquarium kunnen zien); De belilchting was 8 uur per dag aan, alhoewel er wel wat langer omgevingslicht in de kamer viel.
  • Beluchting was uitstekend
  • Het aquarium was ingericht met kienhout en grotten van klei en steen; het substraat bestond uit zand of afgerond aquarium grind.
  • Het aquarium onderhoud bestond uit een weekelijkse verversing van 60% van het water; het nieuwe water had dezelfde temperatuur als het aquarium. Daarbij werden de sponsfilters elke twee weken schoon gemaakt.

Dieet

De vissen kregen een gemengd dieet; een mengeling van aquarium tabletten, waaronder vegetarische tabletten, werden elke dag gegeven terwijl verse groente twee keer per week werd gevoerd. Het is echter onmogelijk te zeggen wat ze destijds bij voorkeur aten omdat ze het aquarium deelden met andere Loricaridae. Nadat ze eenmaal naar hun eigen, speciaal aquarium waren verhuisd, werden ze op een vegetarisch dieet gezet, aangevuld met twee keer per week dierlijke proteïne (gedroogd en bevroren).

De groep had hun laatste kweek in het seizoen zo rond midden Maart 2006. George was zo begaan met de kleine larfjes dat tijdens onze reis naar Griekenland hij 10 jongen meenam. De vissen, die toen ongeveer 3-4 centimeter lang waren, reisden netjes in een 2 liter Coca Cola fles, die van te voren zeer grondig was schoongemaakt. Bij onze aankomst plaatsten we de vissen in een 100 liter aquarium. En dit is waar het interessante deel van het verhaal begint.

Het Aquarium

Het aquarium die de jongen vissen zou gaan huisvesten zat vol met algen en slakken. Met vol bedoelen we dat de water capaciteit van het aquarium zeker met 30% was afgenomen door de bestaande algen en wat er uit zag als een dik bed met zee algen. Dit werd door ons beschouwd als potentieel dodelijk. De algen waren op sommige plaatsen erg lang en het zag er naar uit dat de jongen niet sterk genoeg zouden zijn om er doorheen te komen; ze zouden erin verstrikt kunnen raken en stikken! Na het aquarium een grondige schoonmaakbeurt te hebben gegeven, wat bestond uit het zoveel mogelijk kortwieken van de algen, plaatsten we eindelijk de 4 maanden oude jongen in hun nieuwe huis. We verloren ze direct uit het oog aangezien het glas nog steeds een onderdoorzichtige groene muur was.

Dit aquarium was radicaal anders dan de aquaria die we hiervoor hadden voor de L144. Om precies te zijn:

  • de stroming was laag tot medium (1 – 3 keer per uur)
  • Het water was medium hard en licht alkalisch (KH 8; GH 10, pH 7.8)
  • De temperatuur lag tussen de 28°C-33°C (In de zomer in Athene fluctueert de temperatuur gedurende de dag en kan boven de 40°C uitkomen, wat betekent dat de water temperatuur van kleine aquaria navenant mee fluctueert.
  • Er was een sterke verlichting boven het aquarium; de belichtingsperiode was 12 uur per dag, met een minimum aan omgevings licht gedurende de licht uit periode.
  • De beluchting was uitstekend.
  • Het aquarium was ingericht met kienhout en een aardewerken pot; het substraat bestond uit zeer grondig gewassen zee zand (van een strand) en een levende laag van een paar duizend slakken.
  • Het aquarium onderhoud bestond uit een wekelijkse 100% waterwissel met koeler water (gedurende de zomer) en water van dezelfde temperatuur als het aquarium water tijdens de winter. Er werden geen toevoegingen gebruikt. De filter sponzen werden elke paar maanden schoon gemaakt maar de voor filters kregen hun schoonmaak beurt als de stroming zichtbaar minder werd.

Hoe lelijk dit aquarium ook was, het water was onberispelijk. De algen absorbeerden het nitraat, de slakken de overblijfselen. In het kort, dit aquarium was een mini (100 liter) – ‘biotoop’ voor de jongen vissen.

Doordat de algen het glas bedekten wenden we aan het idee dat we de L144’s voorlopig niet zouden zien. Stel je onze verbazing voor toen we een week later twee van hen zagen tijdens het grazen op het glas. Dit mag als een flinke overdrijving klinken maar dat is het niet: de vissen die we zagen waren zeker een goede centimeter gegroeid (in een week) en ze hadden de mooiste goudkleurige gloed die je je kunt voorstellen. Het was een wereld van verschil tussen deze kleur en de  vale gele kleur die ze hadden bij aankomst. Niet verassend, een van de kanten van het aquarium was bijna schoon; de algen waren weg.

We bleven ze spaarzaam voeren, voornamelijk om er voor te zorgen dat de vissen toegang hadden tot voldoende dierlijk proteïne. We zagen de vissen het voedsel echter nooit eten; alle jongen zaten graasden continu op het glas en de stukken hout. Het sterke licht boven het aquarium deed ze helemaal niets. Hieronder zie je een kort stukje video van een tijdje later, na de derde kweek van de tweede kolonie. De grotere jongen (ongeveer 4 maanden oud) kun je zien grazen op de aquarium inrichting terwijl de jongere jongen grazen op het glas en de pomp. De video is gemaakt met de lichten aan; de grootte van de vissen is makkelijk te vergelijken met die van de vader, hij verschijnt aan het eind van de video en gaat richting de grot.

In de periode voordat de nieuwe kolonie ging broeden, moesten de de jonge L144’s hun aquarium delen met andere aquarium genoten. In October 2006, werd een groep van 30 ex-Cichlasoma pearsei jongen aan het aquarium toegevoegd die daar tot eind december bleven, waarna ze in een eigen 200 liter speciaal aquarium werden geplaatst. Begin december 2006 werd een groep van 35 Paratilapia sp. “Andapa” jongen aan het aquarium van de L144 toegevoegd. Deze jongen werden overvoerd om hun agressie te verminderen. Als gevolg hiervan was de waterkwaliteit op het randje; overal groeide nog steeds een aardige hoeveelheid algen en er was een biofilm zichtbaar op de glazen wanden en ornamenten.

Ondertussen was onze “vreedzame” kolonie niet meer zo vreedzaam. Het dominante mannetje verklaarde het seizoen voor geopend aan een andere man in de kolonie; deze man werd gedwongen het aquarium te verlaten zonder onze hulp. We vonden hem op een dag, een ander aquarium bewonend op de onderste rij in de stelling. Het lijkt erop dat hij gedwongen werd eruit te springen door de dominante man. Door puur geluk viel hij in dit aquarium (in plaats van op de grond). Het gedwongen vertrek van deze man leek te helpen; de dominante man keerde terug in zijn aardewerken pot, welke in het midden van het aquarium was geplaatst onder een stuk mopani hout en de rust leek weer wedergekeerd.

Het overvoeren van de jonge Paratilapia’s leidde uiteindelijk tot een bacteriën explosie. We voerden wat echt grote water wissels uit in het begin van januari en besloten toen wat van de Paratilapia jongen naar een ander aquarium te verhuizen. Op 10 januari, terwijl we het kienhout verplaatsen om de cichliden uit te kunnen vangen, tilden we de aardewerken pot op, die in het midden van het aquarium stond als schuilplaats voor de L144s. Tot onze verrassing was de pot bewoont door het L144 mannetje die een trosje eieren bewaakte. Deze pot was niet wat wij zouden omschrijven als “de ideale” grot; het is een van de gebruikelijke ornamenten die je bij de aquariumwinkels tegenkomt, zo een met een grote opening aan de zijkant zodat het lijkt alsof hij gebroken is. Deze opening was naar beneden gericht toen we het aquarium klaarmaakten voor de algeneters maar toen we de pot optilden viel het trosje eieren in het aquarium. We lieten het daar liggen omdat wij dachten dat ze beschadigd waren; de eieren waren de volgende dag beschimmeld. Vreemd genoeg aten de cichliden de eieren niet op, een waarneming die we later nog eens bevestigden toen hetzelfde gebeurde in een ander aquarium waar jonge Paratilapia sp. ‘Andapa’ inzaten met broedende Panaques.

Alhoewel we het afzetten niet probeerden te “triggeren”, is dit wel precies wat er in het aquarium gebeurde als we onze ancistrussen aan willen sporen om eieren af te zetten. Het water laten we iets vervuilen, het aquarium wordt overvoerd en daarna doen we 3-4 dagen achter elkaar een grote waterverversing met iets wat koeler water. Het leek erop dat dit een van de keren was dat het afzetten had plaatsgevonden omdat de omstandigheden gunstig waren, hoewel niet met opzet.

We besloten een paar dagen later alle cichliden te verwijderen en de L144 een nieuwe kans te geven om af te zetten. Op 1 maart 2007 zagen de waterwaardes er zo uit:

  • Temperatuur = 29 C
  • KH= 8
  • GH= 9
  • pH=7.6
  • NH3, NO2: 0
  • NO3: ongeveer 25 ppm

Van januari tot maart bleef het mannetje in zijn grot, die omringd werd door vrouwen. Het was echter aardig duidelijk dat hij niet in de stemming was om te broeden: vrouwen die de grot in probeerden te komen werden weggejaagd. Er was één specifieke vrouw waar de man serieus iets tegen had, zelfs zo erg dat we haar voor haar eigen veiligheid uit het aquarium moesten halen. We plaatsten deze vis in dezelfde tank als de eerder verstoten man. Ongeveer 3 weken later, op 24 maart 2007, zagen we de man eieren bewaaieren. We hielden de grot scherp in de gaten; de eerste jongen konden we aan de muren van de grot zien hangen op 1 april 2007. De volgende dag zagen we wat van de jongen buiten de grot.

Alhoewel er meer dan genoeg voedsel in het aquarium zat (algen), besloten we om met de jongen geen risico te lopen. We plaatsten speciaal voor de jongen een Eheim voerautomaat. De automaat geeft vier keer per dag 100% Spirulina poeder van Jade (Salt Lake Inc. USA), om 9 uur, 12 uur, 15 uur en 19 uur. De totale hoeveelheid was zo’n vier theelepels Spirulina per dag. Eén maand later stopten we met de vroege avondvoeding en gaven ze daarvoor in plaats een late avond voeding om 22.00 uur bestaande uit 20 spirulina tabletten. De tabletten werden over het hele wateroppervlak verspreid zodat de vissen die in andere delen van het aquarium zaten ook een kans kregen om te eten. We verversten gedurende de eerste maand dagelijks 15% van het water met gelijke temperatuur, pH, GH en KH. Hierna werd dit percentage verhoogd naar 20%. Gedurende deze tijd werden de volwassen dieren gevoerd volgens hun normale schema.

L144 jong in filterbuis

L144 jong in filterbuis

De toegenomen hoeveelheid gegeven voer betekende ook dat de filtering moest worden opgevoerd. We plaatsten nog een Eheim 2311 Classic filter bij de andere die al draaide en maakten beiden elke andere week schoon zodra ze verstopt raakten (poeder voer heeft de neiging overal tussen te komen.  De inlaten van de filters werden afgedekt door Eheim voorfilterschuim om te voorkomen dat de jongen in het filter komen (wat ze klaarblijkelijk erg leuk vinden om te doen). Lucht werd aangevoerd door een Resun LP-100 luchtpomp, die een totaal van 9.000 liter/uur aflevert waarvan 1/10e (900 liter/uur) in dit aquarium werd gebruikt via een 50 x 25 x 25 milimeter diffuser gemaakt door Hobby DOHSE Aquaristiek KG. In dit aquarium bereikten de jonge L144 een lengte van 2.4 – 2.6 centimeter binnen een maand nadat de eieren waren gelegd.

Bij een volgend nest, drie maanden later, zagen we drie vrouwen wachten buiten de grot van de man. Opnieuw weigerde de man een van hen door de ingang te blokkeren, elke keer dat ze probeerde binnen te komen. We dachten dat zij een succesvolle poging tot broeden in de weg zat, aangezien ze erg volhardend was en hierdoor de activiteiten van de andere vrouwen en de man verstoorde. We verhuisden haar dus ook naar het aquarium met de andere man; een paar dagen later was de man eieren aan het bewaaieren. Binnen een dag nadat de eieren waren gelegd, zagen we hem eieren uit het hol “schoppen” (de meesten waren niet bevrucht); de overgebleven eieren bleven in de grot. We verzamelden een relatief klein deel van de afgekeurde ei-bal een een thee kopje en plaatsten ze in een apart aquarium om ze kunstmatig uit te broeden op 16 april 2007. De eerste eieren kwamen op 18 april 2007 uit. Op 23 april zagen we ook larfjes in het hoofd aquarium.

Kunstmatig uitbroeden van de L144

Jonge L144 larfjes verzamelen zich in een hoek van het aquarium

Jonge L144 larfjes verzamelen zich in een hoek van het aquarium

Een paar opmerkingen over het kunstmatig uitbroeden: We plaatsten de eieren in een Liquifry Fresh Flow broedmachine (Interpet Ltd. UK) aangesloten op een Schego M2K3 luchtpomp (Schemel & Goetz Gmbh; Co KG; Duitsland) met een capaciteit van 350 liter/uur. Het aquarium waar de broedmachine in was geplaatst was al ongeveer 3 weken leeg en had geen inrichting. We voegden 40 mililiter / 100 liter Interpet Liquisil General Tonic toe (in plaats van de aanbevolen 25 mililiter per 125 liter) wat de schimmel weg leek te houden, gezien het grote aantal onbevruchtte eieren. Alle bevruchtte eieren kwamen uit, dus eindigden we met 15 jongen in dit aquarium. Bij de beide keren dat we het gebruikten (beiden algeneter kweekjes), vonden we dit type broedmachine niet makkelijk om mee te werken of functioneel. De zuignapjes zijn te slap om hem op zijn plaats te houden, wat een garantie is voor ongelukken. Daarbij komt nog dat de luchtbel die zich bovenin het apparaat vormde, het deksel verplaatst, al snel kropen alle larfjes overal door het aquarium.

Vijfenveertig dagen nadat de eieren waren gelegd (41 dagen na het uitkomen) hebben de vissen een lengte van een goede 35 millimeter en zien er uit als kleine miniatuurtjes van de volwassenen. Wat betreft de groei snelheid was er geen verschil tussen de jongen in het hoofd aquarium (bewaakt en verzorgd door de vader) en degenen die kunstmatig werden opgevoed. In beide groepen waren er grotere en aanzienlijk kleinere individuen.

We lieten de jongen voor een lange tijd in het hoofd aquarium; gedurende deze periode broedde het mannetje verschillende keren. De overlevingspercentages zijn uitstekend ondanks de relatief kleine beschikbare ruimte voor de vissen. Elke kweek gaf 120-150 jongen. Met uitzondering van het gedrag van het dominante mannetje naar zijn rivaal en de twee vrouwen, hebben wij geen onderlinge agressie gezien. Tegen de tijd dat de eerste lichting jongen zes maanden oud waren, hebben we ze geherhuisvest. We hebben sindsdien van andere hobbyisten gehoord dat deze jongen ook voor nakweek hebben gezorgd toen ze ongeveer 9-10 maanden waren.In de tussentijd begon onze tweede man ook te kweken. Een gegeven waard om te melden is dat de tweede man een veel vruchtbaardere broeder is dan de eerste, die we als de dominante man van de kolonie beschouwden. We hebben ditzelfde fenomeen gezien bij andere kolonies algeneters en cichliden. Namelijk, de vis die de dominante man lijkt te zijn is geen goede – of meest vruchtbare – broeder. Het zou interessant zijn om hierover de mening van andere hobbyisten te horen.

Dominante L144 man omringd door jongen uit meerdere nesten

Dominante L144 man omringd door jongen uit meerdere nesten

Afsluiting

We sluiten dit verslag af met een het licht aanstippen van wat zaken rond de L144 jongen. Af en toe hebben kwekers van deze soort gemeld dat sommige jongen een bruine vlek ergens op hun lichaam krijgen. Dit wordt veroorzaakt door genen. In het kort, meldt Datz dat een enkel goudgekleurde man werd geëxporteerd vanuit Paraguay. Vervolgens werd door hobbyisten geargumenteerd, dat aangezien dit het enige wildvang exemplaar is wat ooit is geëxporteerd, het is gekruist met een bruin gekleurde vrouw. De goud gekleurde vrouwen uit dit nest werden weer terug gekruist om de mutatie te houden. Men neemt aan dat de bruine vlekken die bij sommige jongen ontstaan veroorzaakt worden door de vrouw van het oorspronkelijke koppel.

Wij zijn een beetje sceptisch over dit argument en menen dat wij op een paar  dingen moeten wijzen. Datz houdt niet elke export vanuit Zuid Amerika bij, hoe uitgebreid het ook mag zijn, ze houden alleen bij wat er wordt gemeld. Het feit dat Datz slechts één individuele export meldt, betekend niet dat andere exemplaren nooit hebben bestaan of nooit zijn geëxporteerd. In feite geeft het bestaan van deze ene vis aan dat anderen gelijk aan deze zouden moeten kunnen overleven in het wild. Om te geloven dat de enige vis zonder zwart pigment die in het wild wist te overleven echt was gevangen en werd geëxporteerd is een beetje vergezocht.

Goud gekleurde exemplaren bestaan in het wild. Hun kansen op overleven zijn inderdaad lager dan die van normale vissen maar “lager” betekend niet “geen”. Bijvoorbeeld, stel dat een goudgekleurde in het wild in gevaar is aangezien het beter zichtbaar is voor jagers omdat hij niet goed opgaat in de achtergrond. Dit betekend dat een goudgekleurd individu een grotere kans heeft om jong te sterven in vergelijking tot een normaal exemplaar. Dit zou kunnen leiden tot het uitsterven van het fenotype maar het genotype zou nog steeds aanwezig zijn in heterologe exemplaren. Wat op zijn beurt weer betekend dat goudgekleurde jongen kunnen worden geboren (in het wild of in gevangenschap) indien deze heterologe exemplaren zich voortplanten. Bovendien, als een goudgekleurd exemplaar op jonge leeftijd uit zijn natuurlijke omgeving (waar hij is geboren) wordt verwijderd en opgroeit in een beschermde omgeving (bijvoorbeeld een aquarium), zal hij prima kunnen overleven. De mutatie is natuurlijk en diepgeworteld, er is dus geen enkele reden waarom een koppel van deze vissen een afwijkende kleur jongen zou produceren. Met andere woorden, als een goudgekleurd exemplaar wordt gepaard met een ander exemplaar van zijn soort dan is de mutatie homogeen voor alle jongen – dus zouden er geen andere kleuren moeten ontstaan.

Het argument dat de bruine vlek is het resultaat van de gedeeltelijke re-expressie van de bruine allel bij de jongen (als gevolg van de originele kruising van een goudegekleurde vorm met een normale vorm) is een vermoeden. Als dit het geval was, zouden de jongen volledig bruin moeten  worden in plaats van slechts een bruine vlek. Dit is te wijten aan het feit dat de bruine kleur een uiting is van de dominante allel die, indien hij naar voren komt, het recessieve gen zou moeten onderdrukken (in dit geval het geel). Het verschijnen van de bruine vlek zou net zo goed kunnen duiden op een tweede mutatie, een soort van trofische deficiëntie of andere milieu-factoren die leiden tot een fenotypische verandering. Bij veel andere geslachten / soorten die in gevangenschap worden gehouden is geconstateerd dat na een reeks van succesvolle kweken in het aquarium het oorspronkelijke, in het wild gevangen paar, jongen produceert met  “afwijkingen”. Daartoe behoren onder meer kleur misvormingen. Wij hebben hier persoonlijk ervaring mee met wildvang Neolamprologus brichardi en verschijdene andere wildvang Haplochromis soorten uit het Victoria Meer.

We hebben misvormingen waargenomen waaronder open ruggen, verbleken van kleur en zelfs het volledig ontbreken van een bepaalde tint bij de jongen. Dit kan een verworven fenotype zijn. Met andere woorden, het aanwezige bewijsmateriaal rechtvaardigt niet het koppelen van het verschijnen van bruine vlekken aan een genetische verandering.Vanuit genetisch oogpunt, is het extreem moeilijk om een fenotype toe te wijzen aan een specifiek genotype en de simplistische benadering die af en toe door hobbyisten wordt gevolgd om het verschijnen of verdwijnen van een kenmerk te proberen te verklaren is zeker  ongeschikt en leidt doorgaans tot verkeerde conclusies.

In dit geval is de rechtvaardiging uitsluitend gebaseerd op de wetten van Mendel die extreem nauwkeurig aangeeft wanneer een eigenschap is gecodeerd door een enkel gen (bv. albinisme), maar die niet geldt als het bijzondere fenotype het gevolg is van de wijziging van een aantal genen, terwijl in we in sommige gevallen een wijziging van beide allelen zien voor dezelfde eigenschap. Welk(e) (indien van toepassing) gen(en) onderdrukt worden in een proces wordt onderzocht door de wetenschap; het is aan te raden om te wachten tot een theorie is bewezen en dan tot een conclusie proberen te komen.

Voor de goede orde: ons oorspronkelijk koppel paart nu al zo’n 6 jaar en wij hebben tot op heden nog geen bruine vlekken bij de jongen gezien, inclusief de F2 en F3, wat inhoudt dat de mutatie zich goed heeft geworteld.

Foto’s door de Auteurs.
Compilatie van de eerste foto door Frank Panis.
Bron: MCH Portal
Vertaling: J. de Lange

Onze lezers score
[Totaal: 0 Gemiddeld: 0]

Reacties 2

  1. Peter Rademaker

    Ik heb inmiddels 2 “nestjes” jongen in mijn kweekbak (zo’n 60 stuks) van resp. 6 en 2 weken. Hoe snel groeien de jongen? Dan weet ik wanneer ze er uit moeten….

    • John

      Ik denk dat ze na een maand of 3 zo’n 2 a 3 cm zijn. In het begin zijn ze nogal gevoelig voor teveel water verversen. Naar mijn idee had ik minder uitval bij verwaarloosde bakken dan in aquariums waar ik vaak ververste.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Please respect our copyright. Don`t copy text or images! Please share a link to this page instead.

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!

Schrijf je hier in!

Je informatie wordt nooit gedeeld met andere partijen

Laat dit bericht niet meer zien

AquaInfo.nl is de Nederlandstalige bron voor aquarium informatie! Met soortbeschrijvingen en artikelen proberen we kennis over diverse onderwerpen te bundelen en op duidelijke manier te verwoorden. Onze nieuwsbrief houdt je op de hoogte over:

  • Artikelen
  • Nieuwe soortbeschrijvingen
  • Ontwikkelingen
  • Zoetwater vissen
  • Zoutwater vissen
  • Planten
  • Lagere dieren
  • en al het andere wat je in een aquarium tegenkomt!