Regenboogvissen

Hybridisatie bij Regenboogvissen

Hybridisatie bij Regenboogvissen

In hun uitgebreide studie van de taxonomie van toenmalig bekende regenboogvissen registreerden Allen & Cross (1982) maar twee hybride vissen tussen Chilatherina campsi en Melanotaenia affinis. Er zijn enkele berichten geweest van hybride regenboogvissen gevonden in de natuur, maar hybridisatie in de natuur blijkt zeldzaam.

Zhu et al. (1994) en McGuigan et al. (2000) identificeerden hybriden door mtDNA (mitochondriaal DNA = DNA doorgegeven door de moeder) te onderzoeken van twee populaties Melanotaenia australis in de Northern Territory (Blackmore en South Alligator River). Verder bewijs voor hybridisatie werd gevonden in Lake Tinaroo tussen Melanotaenia eachamensis en Melanotaenia splendida (Zhu et al., 1998) en in andere populaties werd een mix van mtDNA genotypen gevonden (Pusey et al., 1997; Zhu et al., 1998; McGuigan, 2001). Er is ook enig bewijs van natuurlijke hybridisatie gevonden tussen Melanotaenia splendida tatei en Melanotaenia fluviatilis, tussen Melanotaenia duboulayi en Melanotaenia splendida splendida, tussen Melanotaenia nigrans en Melanotaenia australis, tussen Melanotaenia australis en Melanotaenia exquisita, en tussen Melanotaenia exquisita en Melanotaenia splendida inornata. Het blijft echter onzeker of het hier gaat om sympatrie, voortdurende hybridisatie of introgressie.

Het ‘Eachamensis’-complex in North Queensland is in hoge mate verwarrend, waarover zelfs de ‘experts’ het niet eens kunnen worden. Een onderzoek bericht dat hoewel Melanotaenia eachamensis en Melanotaenia splendida genetisch en morfologisch verschillende soorten zijn, veel onderzochte exemplaren in deze studie een aantal overeenkomende kenmerken tentoonspreiden, die suggereren dat hybridisatie tussen deze soorten gewoon is als overeenkomende lichaamsfactoren indicaties zijn voor hybridisatie. Verder onderzoek naar Melanotaenia eachamensis en Melanotaenia splendida heeft – voor zover bekend – nog niet tot een eensluidende conclusie geleid. Wellicht is het een zaak van taxonomische of genetische verwarring?

Comet River regenboogvis

‘Comet River’ regenboogvis. © Foto: Gunter Schmida

Er werden vier populaties gevangen uit de Fitzroy River in Queensland. Twee populaties uit de zijrivieren van de Comet River en de Dawson River, en twee populaties uit het stroomgebied van de Conner River en een zijriviertje van de Fitzroy River. Gebaseerd op allozymes en mtDNA zijn de laatste twee populaties geïdentificeerd als Melanotaenia splendida. De eerste twee populaties vertonen kenmerken van Melanotaenia fluviatilis, een aantal kenmerken van Melanotaenia splendida hoewel ze ook kenmerken mtDNA hadden van Melanotaenia duboulay. Dit type mtDNA wordt echter ook gevonden in populaties van Melanotaenia fluviatilis in het vangstgebied van het noordelijke Murray-Darling, de meest waarschijnlijke bron van deze populaties. Bovenstaande populaties vertegenwoordigen de uiterste gebieden van het stroomgebied. Het kan niet anders dan dat deze populaties met elkaar in contact zijn gekomen in het centralere deel van het stroomgebied. Maar waar precies die contacten hebben plaatsgevonden of nog plaatsvinden is onbekend. – P.J. Unmack

Er is lange tijd gedacht dat waterstromen in de Great Dividing Range, die zich uitstrekt tot de oostkust van Australië, in aanraking zijn geweest met waterstromen aan de overkant van de Dividing Range. Er is de laatste 50 jaar regelmatig discussie geweest of westelijke waterstromen in oostelijke waterstromen op zijn genomen en vice versa. Er is bijvoorbeeld gesuggereerd dat de Barron en de Burdekin River in noordelijk Queensland voorheen westwaartse stromen hebben opgenomen. Het Clarence River gebied van noord-oost New South Wales heeft kenmerken die suggereren dat waterstromen eerst anders hebben gelopen. Het hoe en wanneer van deze gebeurtenissen is echter nog steeds onzeker. Van het stroomgebied van het Fitzroy/Dawson systeem wordt gedacht dat het grote stukken van het kustgebied heeft ‘overgenomen’.

Dawson River regenboogvis

‘Dawson River’ regenboogvis. © Foto: Gunter Schmida

Regen in Australië is seizoensgebonden en bovendien zeer variabel, met veel overstromingen in sommige jaren, maar grote droogte in andere jaren. Kortstondige overstromingen kunnen spreiding van soorten en populaties veroorzaken binnen een enkele rivier, maar ook tussen verschillende riviergebieden. Overstromingen in Queensland kunnen uiteindelijk op die manier Zuid-Australië bereiken en zo 3.000 kilometer afleggen. Hoewel voor het grootste gedeelte de verschillende soorten regenboogvissen van elkaar onderscheiden kunnen worden, is er de mogelijkheid dat veel soorten eigenlijk alleen maar geografische varianten zijn van één soort.

Er is veel discussie onder biologen over wat nu eigenlijk een soort is. De klassieke definitie van een soort is: verwante organismen die gezamenlijke kenmerken hebben en in staat zijn tot kruisingen. Enige jaren geleden werd er een gecontroleerde proef gedaan, waaruit bleek dat M. fluviatilis en M. duboulayi konden kruisen en levensvatbare nageslacht konden produceren. Daarom kunnen deze twee soorten net zo goed verschillende populaties of variëteiten zijn van eenzelfde soort.

Omdat er zo veel variatie in kleuren en lichaamsvorm bestaat bij veel soorten regenboogvissen, vooral in Australië, moeten deze vissen altijd gekweekt worden binnen hun eigen, lokale groep. Ongeacht hun verschillende kleurenpatronen zijn ze in staat en gewillig om te kruisen met elkaar als daar de mogelijkheid voor is. De serieuze kweker die zuivere lijnen wil kweken en onderhouden, moet elke soort in een apart aquarium houden. Als dit niet gedaan wordt, zullen vissen van verschillende soorten met elkaar kruisen en op die manier toekomstige kweek en identificatie bemoeilijken. Bovendien lijken vrouwtjes van veel regenboogvissoorten sterk op elkaar en op die manier verwisseld worden.

Ik heb meer dan 30 jaar regenboogvissen gehouden en heb altijd de vissen gescheiden gehouden voor het kweken, zelfs al hadden de vissen dezelfde soortnaam. De geschiedenis wijst uit dat dit verstandig is om te doen. In de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw hebben veel populaties van regenboogvissen hun weg naar de aquariumhobby gevonden. Toen de tijd verstreek en verschillende populaties nader werden onderzocht, ontdekte men dat deze populaties in werkelijkheid verschillende soorten waren.

Veel serieuze regenboogliefhebbers zullen geen nieuwe vissen in hun kweekprogramma opnemen totdat ze de details van de vindplaats van de vissen kennen. Deze hobbyisten zouden bijvoorbeeld geen vis kopen als de soortnaam alleen maar Melanotaenia trifasciata is, omdat de koper dan niet weet wat hij of zij krijgt. We kunnen in de toekomst nog ontdekken dat verschillende populaties enkele  belangrijke biologische of genetische verschillen heeft, die van invloed zijn op de levensvatbaarheid en zuiverheid van de soort. Het is daarom belangrijk om altijd een vindplaats te vermelden, zoals Wonga Creek, Goyder River, etc. Als deze vindplaats niet bekend is, dan moet de vis circuleren als een aquariumstam.

Voordat afzetmoppen worden gebruikt voor verschillende regenboogvissoorten, moeten ze gekookt worden om eventueel achtergebleven eieren te vernietigen. Dit voorkomt onbedoelde hybridisatie effectief, die het resultaat zou kunnen zijn van onopzettelijk overzetten van eieren van de ene kweekbak naar de kweekbak van een andere soort. Hierin schuilt ook het belang van kunstmatige afzetmoppen boven dat van levende planten.

Veel hybride regenboogvissen waarmee men in contact komt, zullen onbedoelde kruisingen zijn. Er zijn echter ook een aantal commercieel gekweekte hybride soorten verkrijgbaar. Deze worden over het algemeen verkocht en verspreid onder handelsnamen als ‘Rode Boesemani’ etc. Er zijn echter ook frauduleuze lieden die regenboogvissen kruisen en daarna verkopen als een zuivere soort. M. ‘marcii’, M. ‘hammeri’ en M. ‘greetii’ zijn voorbeelden van deze praktijken. Deze drie hybriden zijn destijds door een commerciële aquariumhandelaar en kweker in Nederland gekweekt. Ze zijn breed verspreid in Europa en Noord-Amerika, vooral ‘marcii’ die ook wordt verkocht als Marci regenboogvis. Het zijn geen echte soorten en zouden alle vernietigd moeten worden. Een ieder handeld naar eer en geweten.

Literatuur

  • Allen, G.R. and Cross, N.J. (1982) Rainbowfishes of Australia and Papua New Guinea, T.F.H. Publications, New Jersey.
  • Allen G. R. (1995). Rainbowfishes in Nature and in the Aquarium. (Tetra-Verlag: Germany.)
  • McGuigan, K.L., Zhu, D., Allen, G.R. and Moritz, C. (2000) Phylogenetic relationships and historical biogeography of melanotaeniid fishes in Australia and New Guinea. Marine and Freshwater Research 51(7): 713-723.
  • McGuigan, K.L. (2001) An addition to the rainbowfish (Melanotaeniidae) fauna of north Queensland. Memoirs of the Queensland Museum 46: 647-655.
  • Moritz, C., D. Zhu and S. Degnan. (1995) Evolutionary Distinctiveness and Conservation Status of the Lake Eacham Rainbowfish, Melanotaenia eachamensis. Final Report to the Wet Tropics Management Authority and Department of Environment and Heritage. University of Queensland, St Lucia, Queensland.
  • Pusey, B. J., J. Bird, M. J. Kennard and A.H. Arthington. (1997) Distribution of the Lake Eacham Rainbowfish in the Wet Tropics Region, North Queensland. Australian Journal of Zoology 45: 75-84.
  • Zhu, D., B.G.M. Jamieson, A. Hugall and C. Moritz (1994) Sequence evolution and phylogenetic signal in control-region and cytochrome b sequences of rainbowfishes (Melanotaeniidae) in Molecular Biology and Evolution 11: 672-683.
  • Zhu, D., S. Degnan and C. Moritz (1998) Evolutionary Distinctiveness and Status of the Endangered Lake Eacham Rainbowfish (Melanotaenia eachamensis). Conservation Biology 12 (1): 80-93.

Bron: Home of the Rainbowfish
Vertaling: Hans Booij

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *