Zeewater

Zeenaaktslakken – Nudibranchia

Zeenaaktslakken – Nudibranchia

De uitdrukking is : “Je moet niet op alle slakken zout leggen”. Daarmee wordt bedoeld dat je niet op alle kleinigheden aanmerking moet maken. De uitdrukking heeft haar ontstaan te danken aan het volksgeloof, dat, wanneer men zout op een slak legt, deze wegsmelt. Nou zal een slak niet meteen wegsmelten, maar ze hebben er wel moeite mee.

Hoe komt het dan dat er Zeeslakken bestaan? Hebben die geen last van het zout. Ja zeker. Ook de Zeeslakken houden niet van zout. Maar die hebben er wat op gevonden. Ze hebben een deurtje (operculum) ontwikkeld om hun huisje af te sluiten tegen het zoute zeewater. Landhuisjesslakken hebben dat niet.

Osmose

De Zeenaaktslakken hebben geen huisje dat hen kan beschermen, maar door osmose en een hoger zoutgehalte in hun cellen kunnen ze het zout zoveel mogelijk tegenhouden. Osmose is een moeilijk woord voor een proces in de natuur waarbij water wel door kan naar de cellen, maar het zout (en andere stoffen) niet worden doorgelaten. En over deze laatste dieren wil ik nu eens een artikel schrijven. Bij Aquariumhuis Romberg zag ik een paar beeldschone Zeenaaktslakken waar ik meteen verliefd op werd. Ik ontdekte al gauw dat er heel veel verschillende soorten zijn die onderverdeeld worden in ordes en onderordes, met daaronder wel een kleine 100 families.

De Nudibranchia of Zeenaaktslakken stammen af van hun voorouders met schelp, dit is ontdekt doordat er in hun huid vaak kalknaalden zijn ingebed. Ze komen in allerlei kleuren en vormen voor. Zowel de kleur als de vorm heeft een functie. Het kan een waarschuwingssignaal afgeven, bijvoorbeeld `ik ben giftig` maar ook dient het voor hun camouflage. De lichaamsgrootte kan variëren tussen enkele centimeters tot exemplaren die meer dan 1.5 kg kunnen wegen. Ze komen over de hele wereld voor tot en met Antarctica, tot op een diepte van 700 meter. Er is zelfs een nieuw soort ontdekt die op een diepte van 2500 meter leeft.

Het lichaam

Het lichaam bestaat uit een ingewandszak, een mantel en een (soms langgerekte) voet. Op de kop bevinden zich twee paar tentakels. Met één paar tentakels, rinoforen genoemd, kunnen zij geurdeeltjes chemisch analyseren. De rinoforen hebben vaak een prominente wormachtige vorm, en kunnen allerlei kleine uitsteeksels of lamellen dragen. Zij kunnen bij gevaar ook worden teruggetrokken. Aan de achterzijde bevinden zich een soort huidplooien, of kieuwen (pseudobranchia). Soms hebben deze de vorm van vingervormige uitwassen rond de anus. Op de flanken van sommige soorten treft men tenslotte trossen van tentakels aan met een defensieve functie, die cerata worden genoemd.

De afscheiding van hun huidklieren kan soms een branderig gevoel of blaren op de huid van vijanden veroorzaken. Vele Zeenaaktslakken zijn alleen ’s nachts actief. Zeenaaktslakken zijn meestal carnivoor en voeden zich met andere zeedieren. Natuurlijk kan ik hier niet alle Zeenaaktslakken behandelen, dus beperk ik me tot de vijf soorten die ik bij Aquariumhuis Romberg heb gezien, om jullie daar iets meer over te vertellen: Allereerst viel mijn oog op de prachtige zwart-witte Zeenaaktslak.

Jorunna parva

Jorunna parva

En, ondanks het feit dat wij zouden zeggen deze is toch niet echt fel gekleurd, is het wel degelijk een giftige Zeenaaktslak. En niet zo’n beetje ook. Zeeslakexpert Angel Valdés van het California State Polytechnic University in Pomona, heeft ooit gezegd: “Wie hen probeert op te eten, krijgt het zwaar na afloop.” Maar het is niet allemaal slecht. Want het gif van dit dier wordt soms ingezet bij de behandeling van kanker. Ze zijn klein, schattig en heel aaibaar. Het lijkt zelfs alsof ze twee oortjes hebben. Japanse duikers noemen ze daar dan ook liefkozend “goma-chan” wat zoveel betekent als “schattig sesamzaadje” Nog niet zo lang geleden heeft er op internet een artikel gestaan dat deze diertjes zo op schattige konijntjes lijken. Sindsdien zijn er al heel wat foto’s gepubliceerd die daar inderdaad heel sterk op lijken. Mij viel vooral de achterkant op, alsof er een prachtige zwarte boom op staat.

Ik heb hem in het wit gezien, maar hij komt ook voor met een gele of oranje kleur. Zijn rug is bedekt met een soort vacht van uitsteeksels die gerangschikt zijn rondom dikkere zwarte knopjes, die hoogstwaarschijnlijk een zintuigelijke functie hebben.

De oor-achtige voelsprieten op zijn hoofd, de rinoforen, hebben de functie van een soort neus. Ze kunnen hiermee chemicaliën in het water onderscheiden, wat ze helpt bij het vinden van voedsel en partner. De boom, of zoals anderen het noemen, de bloemachtige uitstulping op het achterlijf is de kieuw van de slak. Jorunna parva is zoals de meeste zee- en naaktslakken, hermafrodiet en heeft dus zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsdelen. Jammer genoeg worden deze dieren niet oud, ze leven slechts een paar maanden tot een jaar. Ze hebben alleen gelukkig in die tijd geen last van vijanden dankzij het feit dat ze zo ontzettend giftig zijn.

Chromodoris kuniei

Chromodoris kuniei

Chromodoris kuniei

Als tweede, zag ik de opvallende zeenaaktslak Chromodoris kuniei. Althans ik vermoed dat het om deze soort gaat, daar deze slak qua uiterlijk veel weg heeft van de Riscecia tryoni, die in het westen van de Grote Oceaan, voornamelijk voor de kusten van Indonesië en de Salomonseilanden, op een diepte van 9 tot 15 meter leeft en de Chromodoris leopardus, die een dunne blauwe en gele rand heeft.

De Chromodoris kuniei heeft een bruine kleur met daaromheen een lichtbruin- tot gele rand met daarop paarse vlekken. Hij is omzoomd met een dikke violette rand. De kieuwen, die een waaiervorm hebben, zijn crèmekleurig net zoals de rinoforen. Deze slak kan zo’n 6 cm. lang worden en behoort tot de grote familie van de Chromodorididae. Hij leeft in de Indische oceaan.

Phyllidia varicosa

Phyllidia varicosa

Phyllidia varicosa

Daarnaast zat de Phyllidia varicosa. Deze zeenaaktslak leeft in koraalriffen in delen van de Grote Oceaan, de Indische Oceaan en de Rode Zee. Hij is overwegend blauwgrijs met donkere lengtestrepen. Het lichaam heeft 3 tot 6 rijen gele bultige uitsteeksels. Ook de antennes zijn geel. Hij voedt zich voornamelijk met sponssoorten waardoor hij best moeilijk houdbaar is in een aquarium.

Chromodoris quadricolor

Chromodoris quadricolor

Chromodoris quadricolor

Als vierde zag ik de Chromodoris quadricolor. Chromodoris is een geslacht dat behoort tot de familie van de Chromodorididae. Het geslacht bestaat uit 237 beschreven soorten. Eén daarvan is deze C.quadricolor, wat 4-kleuren betekent. De mantel rand is oranje van kleur, afgezet met een wit blauwachtig randje. Over het midden van het lichaam lopen witte strepen soms blauwachtig die afgewisseld worden door zwarte strepen. Wat hem de bijnaam Pyjamaslak heeft opgeleverd. Zijn kieuwen en rinoforen zijn rood van kleur en zien er uit als een bloem.

Ook deze slak komt veel voor op riffen waar sponsen leven en dan met name de sponssoorten (Pione sp. en Negombata sp.) die rood van kleur zijn. Ze zijn, vaak in groepen, te vinden in de Rode Zee tot dieptes van wel 30 meter. Het langgerekte lichaam wordt zo’n 4 – 5 cm lang en heeft grote rinoforen op de kop. Achter op het lichaam is een duidelijke kieuwkrans te zien. Deze slak wordt vaak verward met de Chromodoris africana, die veel op hem lijkt.

Thecacera pennigera

Thecacera pennigera

Thecacera pennigera

Als laatste wil ik nog even de Gestippelde mosdierslak (Thecacera pennigera) aanhalen daar dit toch wel een van de fraaiste soorten is. De Gestippelde mosdierslak wordt niet groter dan 30 mm. Het lichaam is transparant tot wit met oranje vlekken en zwarte en gele stippen. Het is een hoge slak met een kieuwkrans midden op de rug. Achter de kieuwen, die doen denken aan veren, staan twee lange vingervormige uitsteeksels. De reuksprieten (Rhinoforen) staan in een brede tweelobbige schede.

Hij komt voor langs de gehele Europese Atlantische kust. Maar ook in Brazilië, Zuid-Afrika, de Amerikaanse oostkust, de Australische oostkust, Nieuw Zeeland, Pakistan en Japan is hij tegengekomen. En zelfs in Nederland in de Oosterschelde en de monding van de Westerschelde.
Dit prachtige diertje is in Nederland alleen te vinden op plekken waar het Spiraalmosdiertje, of zoals het vroeger werd genoemd de Gepluimde hoorncelpoliep, (Bugula plumosa) voorkomt, omdat dit het enige voedsel is wat hij eet. Ze leven op een harde ondergrond in matig stromend getijdewater op dieptes van de laagwaterlijn tot aan 20 meter. De eieren worden in Nederland in het najaar gelegd, van september tot begin november.

Hoe mooi zou een aquarium zijn met alleen maar deze prachtige naaktslakken. Slakken die wel tegen zout kunnen.

Video

Copyright foto’s

Margie van der Heijden – Ons Natuurgenot Gouda

Margie van der Heijden

Mijn naam is Margie van der Heijden en mijn grote hobby is fotografie.
14 jaar geleden ontmoette ik mijn huidige man die mij geïntroduceerd heeft in de wereld van vissen, amfibieën en reptielen. Resultaat: vele reizen naar tropische landen en het maken van een magazine voor de Aquarium- terrarium- en insectariumvereniging Ons Natuurgenot Gouda, waarvoor ik in de loop van de jaren al vele artikelen heb geschreven en de fotografie erbij heb verzorgd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *